ENTOCARE C.V. Wageningen
biologische gewasbescherming

|logo webshop

foto

vlag_UK vlag_NL

Plaagorganismen die vaak voorkomen worden nog wel eens gekweekt voor onderzoek om bijvoorbeeld de effectiviteit van nieuwe bestrijdingsmiddelen te testen in praktijksituaties.

Om deze proeven te kunnen uitvoeren zijn vaak grote aantallen insecten nodig.

Op aanvraag kunnen een aantal plaaginsecten gekweekt worden.

Hiernaast zijn een aantal voorbeelden weergegeven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

plaagorganismen

Bemisia tabaci (tabakswittevlieg)

kenmerken: volwassen stadia van de tabakswittevlieg houden hun vleugels als een dakje, zodat het gele lichaam duidelijker te zien is dan bij de kaswittevlieg, volwassen stadia zitten vaak aan onderkant van jonge bladeren, larven aan onderkant van jonge bladeren, maar ook op oudere bladeren, de pop is vrij plat en doorzichtig of gelig van kleur, de volwassen wittevlieg is zichtbaar (geel met rode oogjes en witte vleugelaanleg), als de larven van de tabakswittevlieg geparasiteerd worden door Encarsia formosa kleuren ze vuilwit tot bruin veel honingdauw

natuurlijke vijanden: Encarsia formosa, Eretmocerus eremicus, combinatie van Encasia formosa en Eretmocerus eremicus, Macrolophus caliginosus en Swirski-mite

waardplanten: diverse vruchtgroenten o.a. tomaat en diverse siergewassen

Floridamot (Spodoptera exigua)

kenmerken: Voorvleugellengte: 13-14 mm. Deze dofbruine uil heeft een opvallend smalle voorvleugel en een karakteristieke rusthouding waarin de vleugels enigszins rond het lichaam gedrapeerd worden. De niervlek en de ringvlek zijn lichtroze of oranje van kleur.

Voorkomen: Een trekvlinder uit Zuid-Europa waarvan bijna jaarlijks enkele exemplaren worden waargenomen, vooral in de zuidelijke kuststreek; komt veel voor in gebieden met glastuinbouw, waar de soort soms een plaag kan zijn in kassen.

Habitat: In het oorspronkelijke leefgebied vooral warme hellingen en bosranden.

Vliegtijd en gedrag: Deze trekvlinder wordt vooral gezien in de maanden juni-oktober. De vlinders komen zowel op licht als op smeer en bezoeken honingdauw en bloemen van onder andere vlinderstruik en klimop.

Levenscyclus: In warmere streken is deze soort het hele jaar door actief; in de Benelux worden rupsen in de periode juli-november waargenomen.

waardplanten: Allerlei kruidachtige planten, waaronder paardenbloem, zuring, kruiskruid en stalkruid.

Taxuskever (Otiorhynchus sulcatus)

kenmerken: volwassen kevers zijn 7-10 mm groot, bruinzwart van kleur en hebben vaalgele vlekjes op hun rug en kunnen niet vliegen.

Volwassen kevers zijn vooral 's nachts actief, overdag houden ze zich schuil, volwassen kevers eten aan de bladranden, de kevers kunnen zich ongeslachtelijk voortplanten, over het algemeen zijn het allemaal vrouwtjes.

Larven leven in de grond en eten haarwortels, dit kan leiden tot verwelken en afsterven van de plant, larven hebben wit lijf en bruine kop.

Levenscyclus in Nederland in buitensituaties: in april/mei zitten de larven in de grond, in april/mei/juni komen er poppen voor in de grond, volwassen kevers vanaf eind mei tot begin augustus, eieren in de grond van juli t/m september, larven in de grond vanaf eind juli tot begin september.

In kassen komen meerdere generaties per jaar voor!

natuurlijke vijanden: Heterorhabditis bacteriophora

waardplanten: o.a. Azalia, Camelia, Fuchsia, Hedera, Liguster, Rhododendron,Taxus

Turkse Mot (Chrysodeixis chalcites)

kenmerken: Voorvleugellengte: 15-18 mm. Net als de verwante soorten houdt deze uil in rust de vleugels dakvormig omhoog; op de bovenkant van het borststuk bevindt zich een opvallende kuif en verder naar achteren is een kleiner kuifje zichtbaar. De voorvleugel is roze- of bruinachtig grijs van kleur en heeft een in sterkte variërende goudkleurige glans. Soms is de vleugel meer effen donkergrijs en ontbreekt de goudkleurige glans. Midden op de voorvleugel bevindt zich een opvallende, meestal in tweeën gedeelde zilverkleurige vlek, waarvan het gedeelte dat het dichtst bij de voorrand ligt gewoonlijk een uitloper heeft in de richting van vleugelwortel. Een specifiek, maar niet altijd duidelijk zichtbaar kenmerk wordt gevormd door een klein zwart vlekje in de franje halverwege de achterrand van de voorvleugel.

Voorkomen: Een trekvlinder die sinds 1976 verspreid over het land, maar vooral in het westen, wordt waargenomen; in gebieden met glastuinbouw kan de soort een plaag zijn in kassen.

Habitat: Deze soort wordt veel aangetroffen in verwarmde kassen; kan vooral in de nazomer ook op allerlei plaatsen buiten worden waargenomen.

Vliegtijd en gedrag: Deze trekvlinder is in Nederland waar te nemen van juni-november. De vlinders komen op licht en bezoeken bloemen van onder andere spoorbloem en klimop. Ze kunnen gemakkelijk worden gelokt met feromonen, zelfs midden in de stad. De vlinders zijn ook overdag actief.

Levenscyclus: De soort heeft in Zuid-Europa een continue ontwikkeling. De rupsen komen geregeld via import van planten hier terecht.

Waardplanten: Diverse kruidachtige planten, waaronder aardbei, braam, tomaat, valse salie, slangenkruid, moerasscherm en tabak.